Close Menu
Spoed? Bel 06 55 37 00 00 Op spoednummer geen APP/SMS (doorgeschakeld)
Geen spoed? Bel dan tijdens spreekuur
Ma t/m vr van 8.00 - 9.00 uur: 0252-534340

Richtlijnen voeding

VOEDINGSCONSULENT PAARD

Goed voeren is belangrijk voor de gezondheid van uw paard. Een onvolledig, overdadig of onjuist rantsoen kan leiden tot veel verschillende problemen zoals vermagering, obesitas, hoefbevangenheid, koliek, diarree, maagzweren en/of gedragsproblemen.
Zeker bij probleemgevoelige paarden kan goede voeding van doorslaggevend belang zijn. Voedingsadvies kan echter per paard (ras, gevoeligheden, huidige conditie) en per situatie (huisvesting, beweging) behoorlijk verschillen.Om goede adviezen te kunnen geven heeft Hendrike alle modules Voedingsconsulent Paard bij paardenvoedingsspecialiste Anneke Hallebeek gevolgd. Alhoewel veel mensen zichzelf voedingsspecialist noemen, is Anneke de enige die zich daadwerkelijk artsspecialist in veterinaire voeding mag noemen.

ALGEMENE RICHTLIJNEN VOEDING PAARD

Een compleet en op het paard aangepast rantsoen samenstellen is in werkelijkheid niet zo makkelijk als het in eerste instantie lijkt. Het hoofddoel van een rantsoen is dat het paard of de pony er voldoende energie uit kan halen, daarnaast moet het rantsoen ook aan de andere behoefte van het paard of pony voldoen zoals voldoende vezels, eiwitten, vetten, suikers, vitamine en mineralen. Enkele algemene richtlijnen die bij alle voeradviezen steeds weer naar boven komen zijn de 4 volgende basislijnen:

1. RUWVOER ALS BASIS

Ruwvoer is de basis voor ieder paardenrantsoen. Het paard moet het overgrote deel van zijn benodigde energie uit ruwvoer halen. Ruwvoer is van groot belang omdat het vezels bevat die de darmperistaltiek en darmflora stimuleren. Daarnaast moet een paard veel kauwen op ruwvoer wat leidt tot speekselvorming, en speeksel heeft een bufferende werking op maagzuur waardoor het de maag beschermd tegen maagzweren.
Een goede vraag is vervolgens hoeveel ruwvoer een paard nodig heeft.
Als vuistregel wordt aangehouden dat een paard of pony minimaal 1kg droge stof per 100kg lichaamsgewicht aan ruwvoer nodig heeft. Bij het berekenen van het rantsoen is het van belang om rekening te houden met de droge stof gehaltes (afgekort ds) van met name ruwvoeders. Het gewicht in droge stof is het gewicht van het verse (natte) product wat ontdaan is van vocht. Hooi heeft een droge stof gehalte van meer dan 80%, dat betekend dat 1kg hooi met 80% ds eigenlijk 0,8kg droge stof is. Kuilgras heeft een droge stof gehalte variërend van 30 tot 55%, dat wil zeggen dat 1kg kuilgras met een ds gehalte van 50% eigenlijk maar 0,5kg droge stof is. Het is van groot belang om hier rekening mee te houden aangezien de voedingstoffen in de droge stof zitten. Dat betekent dat een paard of pony dus meer kilogrammen kuil nodig heeft dan hooi omdat dit laatste veel minder vocht bevat. Overigens is ruwvoer makkelijk te wegen in een mand of zak met een urnster of een weegschaal voor mensen.

Zowel hooi, voordroogkuil als kuil (mits niet te zuur) zijn prima ruwvoeders voor paarden en de keus voor één van deze ruwvoeders zal per paard en situatie verschillen. Ook zit er over het algemeen weinig verschil in de voedingswaarde van de verschillende types ruwvoer per kilogram droge stof, het droge stof gehalte verschilt uiteraard wel. Hooi heeft een droge stof gehalte van 80-85% of meer en bederft niet omdat bacteriën vocht nodig hebben om te groeien. Als het hooi nog teveel vocht bevat kan het gaan broeien, dat gaat gepaard met verlies van voedingsstoffen (met name eiwitten en vitamines) en daarna kunnen schimmels toeslaan wat leidt tot de vorming van schimmelsporen en stof. Hooi dient dus kurkdroog van het land gehaald te worden en daarna droog opgeslagen te worden. Kuilgras heeft een droge stof gehalte van 30-60% en hoeft dus minder lang op het land te blijven liggen. Door het vervolgens luchtdicht in te pakken ontstaat er een gunstig milieu voor melkzuur vormende bacteriën, het gevormde melkzuur remt uiteindelijk de bacteriegroei en zorgt voor een goede conservering van het gras. Als er echter gaatjes in het plastic zitten dan is de kans groot dat er schimmels gaan groeien welke leiden tot bederf van de baal. Kuilgras dat droger is op moment van maaien, vaak spreekt men van voordroogkuil bij een droge stof gehalte van 60-80%, heeft juist weinig melkzuurvorming wat de conservering niet te goede komt met als risico broei en schimmelvorming.
Gras dat heel nat is op het moment dat het ingepakt wordt kan door boterzuurvormende bacteriën heel erg zuur worden.

De voedingswaarde van ruwvoer is niet zo zeer afhankelijk van de manier van conserveren maar grotendeels afhankelijk van het gras zelf. Denk aan bodemsoort, bemesting, type gras, tijdstip maaien enz. Jong gras heeft over het algemeen een hogere voedingswaarde maar bevat vaak minder vezels in vergelijking met oud gras. Hooi of kuil gemaakt van ouder gras is vaak veel stengeliger en prikt als het ware in je handpalm. Die stengels bevatten veel vezels, meestal in de vorm van lignine. Dit is echter onverteerbaar en dat is een van de redenen dat ouder gras vaak een lagere voedingswaarde heeft. Hooi hoeft dus helemaal niet armer te zijn dan kuil qua energie en voedingswaarden. Naast de hierboven beschreven ruwvoeders is vers gras natuurlijk ook een prima ruwvoer. De voedingswaarden van gras kunnen echter behoorlijk verschillen zoals al aangegeven.
Gelukkig kan men tegenwoordig heel eenvoudig een analyse van het hooi laten uitvoeren, u krijgt dan een overzicht met alle voedingswaarden thuisgestuurd. Dit is tevens een goede basis voor een voedingsadvies.

2. GESPREID VOEREN

De tweede vuistregel is dat een paard of pony over de gehele dag verspreid moet kunnen eten. Het is raadzaam om te streven naar periodes van niet langer dan 6 tot 8 uur (zonder aanvoer van) eten. Tijdens periodes zonder eten wordt er namelijk in verhouding te weinig speeksel geproduceerd en op langere termijn vormt dat een risico op het vormen van maagzweren. Daarnaast kan langere tijd niet eten en je vervelen het ontwikkelen van stalondeugden in de hand werken.

3. BEPERKT KRACHTVOER

De derde vuistregel is dat een paard niet meer dan 2kg krachtvoer per voerbeurt mag krijgen en pony’s niet meer dan 1kg per voerbeurt, dit heeft te maken met de langzame maaglediging bij krachtvoer. De meeste krachtvoeders hebben een hoog droge stof gehalte en het duurt relatief lang voordat de maag het doorsluist naar de dunne darm. Veel krachtvoeders zijn relatief rijk aan suikers (koolhydraten of zetmeel), die hoofdzakelijk in de dunne darm moet worden opgenomen. Als er echter te veel krachtvoer in één keer wordt gegeven is de dunne darm niet in staat deze suikers in één keer te verwerken. Deze onverwerkte koolhydraten komen vervolgens in de dikke darm terecht waar ze de bacterieflora kunnen verstoren met als gevolg koliek, diarree of hoefbevangenheid. Daarnaast zorgen grote hoeveelheden koolhydraatrijk voer voor insulinepieken die met name bij insuline resistente paarden kunnen leiden tot hoefbevangenheid.

4. MEER RUWVOER DAN KRACHTVOER

De vierde en laatste vuistregel slaat eigenlijk terug op de eerste vuistregel en luidt dat je een paard of pony nooit meer kilogrammen krachtvoer dan ruwvoer mag geven. Dit komt omdat krachtvoer weinig vezels bevat en juist veel zetmeel en suiker die de dikke darm flora niet ten goede komen met als gevolg een verteringsstoornis die kan leiden koliek, diarree of bevangenheid.

De meeste krachtvoeders bevatten relatief weinig vitamines, theoretisch zou er 2-3kg krachtvoer per dag gegeven moeten worden om te voldoen aan de vitamine behoefte. Dit is voor de meeste paarden echter veel te veel, ze zijn dan ook voor het merendeel afhankelijk van kwalitatief goed ruwvoer. Paarden kunnen echter niet een onbeperkte hoeveelheid ruwvoer eten, dus voor die dieren die zwaar of veel werk verrichten kan het rantsoen aangevuld worden met een meer geconcentreerde energiebron, namelijk krachtvoer. Daarbij verdient het vaak de voorkeur een voer te kiezen dat niet al te rijk is een suikers maar juist vet als energiebron bevat. Paarden die moeilijk op gewicht te krijgen zijn, ook oudere paarden, kunnen het beste gevoerd worden met een rijk ruwvoeder of gras, aangevuld met senioren voer en eventueel een vitaminebrok. Meeste senioren voeders bevatten redelijk veel vezels, eiwitten en vetten. Verder kan het rantsoen van magere paarden ook met olie aangevuld worden, meestal volstaat 100-200ml per dag.

GRAS

Aangeraden wordt om paarden of pony’s te laten grazen op een wei met gras van minimaal 5cm lang. Dit is vooral om te voorkomen dat ze zand binnen krijgen. Als regel wordt aangehouden dat een paard op een wei met gras van minimaal 5cm in 7 uur voldoende kan eten om de hele dag op te teren in rust. Bij het laten grazen is het ook van belang om te onthouden dat planten overdag in de zon suikers produceren en deze ’s nachts omzetten in oa. eiwitten om te groeien. Het gras bevat aan eind van de dag dus meer suikers. Als het overdag lekker warm is maar de daarop volgende nacht koud vindt deze omzetting niet of nauwelijks plaats en zal het gras nog steeds veel suikers bevatten in de volgende ochtend. Het is daarom vooral voor insulineresistente paarden en pony’s van belang om ze na een zonnige dag en koude nacht later die volgende dag pas op het land te zetten.
Bemesting is van groot belang. Gras dat weinig wordt bemest met stikstof is vaak eiwitarm en bevat relatief veel suiker. Ook gras dat ‘gestrest’ is doordat het te kort is afgegraasd of door algemene droogte bevat relatief veel suikers (waaronder fructaan).

FRUCTAAN

Fructaan is een moeilijk verteerbaar koolhydraat dat niet wordt afgebroken in de dunne darm maar wel door bacteriën wordt gefermenteerd in de dikke darm. Grote hoeveelheden fructaan, maar dit geldt eigenlijk voor alle koolhydraten, kunnen leiden tot een verstoring van de (dikke)darmflora met het risico op koliek, diarree en hoefbevangenheid. De hoeveelheid fructaan in het gras is ook sterk afhankelijk van het weer. Er is een fructaanmeter die per regio globaal aangeeft hoeveel fructaan het gras kan bevatten. Wel is het belangrijk te realiseren dat er ook andere factoren van invloed zijn dan alleen de temperatuurswisselingen (zie eerder).

VOORBEELD ADVIES

Voor paarden die geen tot weinig werk verrichten volstaat een rantsoen van 1,5kg ruwvoer ds per 100kg lichaamsgewicht aangevuld met wat vitamines. Voor een paard van 600kg zou dit neerkomen op 9kg droge stof, als het hooi een droge stof gehalte heeft van 90% is dat 9/0.90 = 10kg hooi. Voor voordroogkuil met een droge stof gehalte van 75% is dat 9/0.75 = 12kg voordroog. Deze hoeveelheden zijn uiteraard afhankelijk van kwaliteit en voedingswaarden van het ruwvoer.

Voor paarden en pony’s met overgewicht moet een rantsoen samen gesteld worden op basis van het streefgewicht en niet het werkelijk gewicht. Het daadwerkelijke gewicht kan geschat worden door de borstomtrek te meten, zie hiervoor: gewicht meten. Elke week dient het gewicht gemeten te worden, houd het gewicht bij op datum bijv. in een boekje. Een verandering in gewicht van 5-10% in 3 maanden tijd is significant, als er in 6 weken geen verbetering wordt geboekt moet het rantsoen bijgesteld worden. Als er met een rantsoen van 1,5kg ds per 100 kg LG onvoldoende resultaat meetbaar is na 6 weken dan moet dit verlaagd worden naar 1,25 kg ds per 100 kg LG.
Het is van groot belang om het voer goed af te wegen met behulp van een urnster of een weegschaal zodat de hoeveelheden kloppen. Voor elk uur dat het paard weidegang heeft moet het ruwvoer met 0,2kg ds per 100kg LG verminderd worden. Dus als het paard of pony 4 uur weidegang krijgt mag het nog 1,5 – (4x0,2) = 0,7 kg ds per 100kg LG aan ruwvoer krijgen. Een handige manier om te dikke paarden en pony’s toch in de wei te zetten zonder dat ze al te veel kunnen eten is door ze een graasmasker om te doen.  Hiermee verminderd de voeropname 50-80% en kunnen ze zodoende toch wel wat gras eten en lekker op de wei lopen. Een nadeel kan bij sommige paarden zijn dat met meerdere paarden in de wei, een paard met graasmasker zich minder makkelijk kan verdedigen.