Close Menu
Spoed? Bel 06 55 37 00 00 Op spoednummer geen APP/SMS (doorgeschakeld)
Geen spoed? Bel dan tijdens spreekuur
Ma t/m vr van 8.00 - 9.00 uur: 0252-534340

Informatie rhino

 

Laatste update september 2018

ALGEMENE INFORMATIE OVER RHINO

Ieder voorjaar zijn er uitbraken van de abortusvariant en neurologische variant.  We hopen dat rhino de deuren van uw stal voorbij blijft gaan.

Begripsvorming over het virus is belangrijk, omdat dit virus besmettelijk is en vaak veel mensen samen aan moeten werken, verspreiding waar mogelijk te beperken. Het is in het algemeen echt belangrijk te realiseren dat bescherming om bescherming van de groep gaat, individuele bescherming in een groep geven kan niet. Het is belangrijk andermans groep te willen beschermen door niet te willen reizen met paarden met koorts of paarden die naast paarden stonden met koorts. Zet nieuwkomers het liefst even een tijdje apart.

Het rhinovirus beheersen kan helaas niemand, alle focus ligt bij uitbraak direct op beperking van schade. Iedere stalsituatie is dan weer net even anders, deze pagina geeft slechts een algemeen beeld. Wij hebben in het najaar van 2017 weer een cursus bij GD academy en de laatste ontwikkelingen doorgenomen, want bij uitbraak met de verkeerde varianten is het heel belangrijk zoveel mogelijk juiste dingen doen en te redden, wat nog te redden valt. Bij uitbraak volgt er uiteraard nog veel specifiekere stalinformatie. 

 

 

 

DE VERSCHILLENDE VERSCHIJNINGSVORMEN VAN RHINO

De meeste paarden komen regelmatig met rhino (Equine Herpes Virus) in contact. Meestal is dit ongevaarlijk, maar helaas niet altijd. Er zijn meerdere verschijningsvormen, dit maakt dat rhino in zijn totaliteit een zeer ernstige aandoening is.

  1. De eerste is de relatief onschuldige verkoudheidsvorm, deze komt vooral bij jonge paarden regelmatig voor. Symptomen zijn bijvoorbeeld hoesten, koorts, een snotneus en/of dikke benen. Meestal blijft het bij een mild verlopende infectie. Soms komt hier bronchitis bij. Gaat de infectie in het oog zitten (witte vlekken) of wordt het overactief in de luchtwegen. Dit zijn complicaties bij het virus, waarbij behandeling belangrijk is.
  2. Ten tweede kennen we de abortusvorm, waarbij drachtige merries hun veulen verliezen of een veulen wordt zo slap geboren, dat het binnen een week gaat overlijden. Op een stal met meerdere drachtige merries kan men helaas meemaken dat meerdere merries gaan aborteren.
  3. Het virus kan worden getransporteerd naar de ruggenmerg: dan worden we geconfronteerd met de neurologische vorm van rhino. Symptomen van de neurologische vorm zijn meestal een slappere staart en ataxie (¨het paard lijkt dronken¨). De verlammingsverschijnselen kunnen helaas tot blijvende schade en tot sterfte leiden.

 

ONVOORSPELBAAR VIRUSGEDRAG

Rhino is dus eigenlijk een normale virusinfectie, met af en toe complicaties. Er zijn verschillende soorten herpesvirussen, EHV1 en 4 zijn het meest belangrijk voor het paard. EHV 4 slaat alleen op de luchtwegen en is zeer regelmatig aanwezig op stallen. EHV 1 geeft ook abortus en neurologische problemen. Het rhinovirus kan dus in verschillende hoedanigheden komen. Het is bij dit virus wetenschappelijk nog altijd onbekend hoe, wanneer en waarom het virus opeens verder gaat en abortussen en verlammingen gaat veroorzaken. Men vermoedt dat er agressieve en minder agressieve subvormen bestaan, hetgeen dan ook weer verklaart dat het verder verloop van neurologisch rhino op stallen, steeds weer net even anders kan zijn. De ernst van de gevolgen van een besmetting zijn op voorhand echt onvoorspelbaar.

 

OVERSTAP VIA BLOEDVATEN

Het virus zit in het bloed en kan door een nog niet opgehelderd mechanisme overstappen op de zogenaamde endotheelcellen, deze vormen de binnenbekleding van de bloedvaten. Het virus veroorzaakt vaatwandschade. Er ontstaan stolseltjes, die het bloedvat kunnen blokkeren, waardoor het door dit bloedvat te verzorgen weefsel in de directe nabijheid niet meer van zuurstof en nutrienten wordt voorzien. Er ontstaat een klein infarct. Als meer infarcten optreden, of als ze op essentiele plaatsen zitten, zullen we klinische verschijnselen zien zoals verzwakking of functie-uitval.

 

TESTEN


Een eenmaal besmet paard blijft soms zijn hele leven drager en kan na bijvoorbeeld stress weer koorts, luchtwegklachten etc. krijgen. En helaas dan ook weer andere paarden besmetten.

Het virus is allereerst direct aantoonbaar door o.a. bloed- en slijmtesten. De verschijnselen van de gevreesde neurologische vorm doen zich echter pas binnen 1-14 dagen na de koorstfase voor. Het virus zit dan mogelijk niet meer in het bloed maar op specifieke plaatsen in het ruggenmerg. Zo kan het paard wel de ziekte hebben, maar kunnen de testen een vals-negatieve uitslag hebben. Indirect, via de afweer, is het virus aantoonbaar door bloed in koorts- of beginfase te vergelijken met bloed 14 dagen erna. Is er een forse stijging in de afweer tegen het virus, dan is er bewijs dat het virus daadwerkelijk aanwezig was.

 

VERSPREIDING TEGEN GAAN

Zodra er een vermoeden is dat er sprake is van een uitbraak op een stal, moet al het mogelijke gedaan worden om verspreiding binnen de stal en naar andere stallen tegen te gaan. In het algemeen zien we dat goede ventilatie in de stallen, bij uitbraak ook belangrijk kan zijn. Zo zijn er gevallen bekend van binnenstallen, waar het virus erg snel over nagenoeg alle paarden heen sloeg, omdat de virusdruk in een slecht geventileerde stal veel hoger kan worden.  

Bij een uitbraak moet een stal worden gesloten om zo verspreiding naar andere stallen tegen te gaan.  Vervolgens zal iedereen zich moeten houden aan de maatregelen die genomen worden,  om te proberen verdere verspreiding tegen te gaan. Er volgt minimaal 4 weken isolatie van de gehele stal, NA dat het laatste koortsgeval is HERSTELD. I

n het geval van de neurologische-vorm is er geen therapie, om het virus te stoppen. Wel is het mogelijk de schade proberen te remmen, natuurlijk gaat dit via antistolling en eventueel virusremmers. Paarden met de neurologische-vorm hebben intensieve verpleging nodig, een goede verzorging kan de kans op gedeeltelijk of volledig herstel soms echt nog aanzienlijk verhogen. De verpleging vindt altijd plaats op de stallocatie van het paard, het is onverstandig zieke paarden alsnog te verplaatsen. De belangrijkste neurologische verschijnselen zijn zwakke staartonus, verdwijnen van de anusreflex, rectumverlamming, blaasverlamming, ataxie in voor en/of achterhand (soms dermate fors dat het paard niet meer kan staan). De schade is soms blijvend, soms treedt snel herstel op.

Voorbeelden van punten bij de behandeling zijn dan:

  • Door middel van medicatie proberen we de eventuele ontstekingsreacties te verminderen, de zenuwherstel te bevorderen, stolling in de bloedvaten van het zenuwstelsel te voorkomen en secundaire bacteriële infecties te voorkomen.
  • Bij een koortspiek starten met virusremmers kan soms ernstige symptomen voorkomen.
  • Heel belangrijk is dat we op tijd mogen gaan voorkomen dat de blaas overrekt wordt. De zenuwaandoening kan een (gedeeltelijke) blaasverlamming geven en dit heeft o.a. tot gevolg dat het paard geen plasdrang meer heeft of niet kan plassen. Een blaasoverrekking kan echter, ook na herstel van de zenuwfunctie, tot onherstelbare schade leiden. Indien nodig gaan we daarom tijdelijk, via een catheter, de blaas leeghalen.
  • Als het paard zich niet meer staande kan houden, accepteren de meeste paarden het rustig. Sommige paarden raken in paniek, gaan liggen 'vechten' en dit kan op zichzelf al leiden tot ernstige schade. Via sedatie kan soms directe ernstige beschadiging voorkomen worden.
  • Tevens moet er voor worden gezorgd dat het paard voldoende vocht en voedsel binnen krijgt.

 

KANS OP VERSPREIDING

Bijna altijd blijft het virus binnen 1 stal, het verleden leert ons dat het een "stalziekte" is. Het is wel eens voorgekomen dat het virus uit Brabant, via een getransporteerd paard met koorts , werd meegenomen naar andere stallen. Een paard met koorts naar een andere stal brengen, is in het algemeen geen goed plan. Bij een verdenking van de abortusvariant of neurologisch rhino, is het heel belangrijk dat er direct geen paarden van de getroffen stal naar andere stallen meer worden gebracht, wacht liever tot er volledige duidelijkheid is.

Echter, kijken we naar uitbraken in de afgelopen jaren dan lijkt er vaak geen enkel verband tussen de locaties te zijn, waarschijnlijk is verplaatsing of meenemen dan niet de reden, maar dragerschap. We zien in het algemeen dat het virus altijd in een bepaalde tijd van het jaar opsteekt en dan ook vaak op meerdere plaatsen tegelijk, die zeker niet altijd in verband met elkaar staan.  

 

BESMETTING

Als rhino in feite overal latent aanwezig kan zijn, overal kunnen dragers staan, wat kunt u dan het beste doen om besmetting tegen te gaan? Geluk bij ongeluk is hier, dat het rhinovirus een stuk groter is, dan bijvoorbeeld het influenzavirus. Rhino blijft daarom moeilijker "in de lucht hangen". De gevarenzone ligt in enige meters stilstaande lucht en niet in de kilometers buitenlucht, die we op de informatiepagina bij het besmettelijke influenza wel noteerden.

Een besmetting met rhino komt meestal door direct contact tussen paarden of gezamenlijke aanwezigheid in een ruimte. Enkele meters lucht, dus optimaliseren isolatie en ventilatie. Het virus dat actief wordt, blijft meestal binnen de stalmuren, tenzij er iemand is die, bij wijze van spreken, de deuren "open zet" door bijvoorbeeld een paard met koorts op een andere stal te zetten en daar virus uit te laten dampen. Dat doet natuurlijk niemand bewust, maar is wel een risico.

Het is aangetoond dat dit virus buiten het paardenlichaam nog vele uren kan overleven, in koude omstandigheden langer dan in warme. Besmetting kan daarom ook nog indirect plaatsvinden via achterblijvend virus in een stal, een trailer, de paddock, op kleding, tuigage, emmers enzovoorts. Reiniging en omkleding na contactmomenten met verdachte paarden, is dus erg belangrijk.

 

OP WEDSTRIJD?

Kunt u nog op wedstrijd gaan als rhino de kop opsteekt? Nagenoeg altijd worden wedstrijden op stallen waar rhino geconstateerd is, natuurlijk direct door het stalmanagement afgelast, simpelweg omdat het risico te groot is. Maar het is natuurlijk niet altijd bekend. In het algemeen kunnen we hopen dat men niet gaat rijden als een paard koorts en verkoudheid heeft, maar volledig met zekerheid kan je dat niet stellen.

De besmettingskans op wedstrijden in de buitenlucht lijkt een stuk minder groot, mits u uiterst alert bent op besmettingrisico via indirect contact en enige afstand houdt. Gaat u starten in een grote en goed geventileerde binnenhal, dan lijkt het risico ook minder groot, maar vermijdt bijv. standaard de stalgangen. Laat uw paard tussen de activiteiten liever op de eigen veewagen of trailer staan, gebruik eigen emmers en water uit de kraan en raak geen andere paarden aan.

 

VACCINATIE EN PREVENTIE

Wat is het effect van rhino-vaccinatie? Een enting is zelf ook nooit volledig zonder risico, want het betreft toch altijd een toediening van een lichaamsvreemde stof. De kans op problemen door uitbraak van rhino is natuurlijk wel vele malen groter dan de kans op problemen door rhino enting, maar neem het wel altijd mee in uw overweging.

Bij afweging is de volgende informatie ook belangrijk: 

Door tweemaal per jaar te enten krijgt een paard bij de verkoudheidsvorm minder koorts en luchtwegproblemen.

Tegen de neurologische vorm wordt geen weerstand opgebouwd, terwijl deze erg desastreus kan zijn. Onthou echter dat het verspreidingsrisico bij uitbraak, niet alleen bepaald door de weerstand maar ook bepaald door aanwezigheid van dragers en de infectiedruk die kan ontstaan in een ruimte en de agressie van een stam. Het effect van vaccinatie ligt voor de neurologische vorm niet in verhoging van de individuele weerstand maar verlaging van de algehele infectiedruk op een stal. Het is aangetoond dat tijdig geënte paarden minder virus verspreiden. Je kunt hier het paard niet los zien van zijn omgeving. Om de infectiedruk bij uitbraak op een stal zo laag mogelijk te houden, dient de gehele groep het vaccin minimaal tweemaal per jaar te krijgen. Is de gehele stal goed geënt, dan kunnen nieuwkomers alsnog roet in het eten gooien. In het algemeen is het goed, nieuwkomers eerst apart te zetten. Dit helpt niet alleen de kans op rhino insleep te verlagen , maar ook het risico op uitbraken van andere infectieziekten wordt zo aanzienlijk verkleind.

Drachtige merries zijn gevoeliger voor rhino en de consequenties zijn vrij snel ernstig. De vaccinatie tegen abortus is helaas niet 100% waterdicht en moet bovendien vier maal tijdens de dracht worden gegeven. Zet een drachtige merrie zeker nooit bij jonge, niet geënte paarden, zij hebben minder weerstand en gooien de infectiedruk snel omhoog. Meerdere drachtige merries bij elkaar is groei van verliesrisico.

Kortom: er is helaas geen waterdichte bescherming bij rhino-uitbraak. Wel kunnen alle maatregelen samen kans en impact verlagen. Al met al is het dus een overweging die per stal verschillend kan zijn.